WATER EN SURINAME

User Rating: 0 / 5

Star InactiveStar InactiveStar InactiveStar InactiveStar Inactive
 
WATER EN SURINAME
Na 20 jaar komt oma Linda weer op vakantie in Suriname.
Ze woont nu al 40 jaar in Nederland.
Oma Linda was 20 jaar geleden voor het laatst op vakantie hier.
Oma Linda is op haar 40 ste naar Nederland verhuisd.
Veel mensen gingen toen weg van hier om hun geluk
daar te zoeken.
Oma Linda heeft het goed in Holland en bijna al haar
kinderen en kleinkinderen wonen daar.
Haar oudste dochter woont wel nog in Suriname.
Natuurlijk logeert oma bij haar dochter.
Haar dochter is erg blij met haar bezoek.
Ze vindt oma Linda flink dat ze zo een grote reis heeft
gemaakt om haar te bezoeken.
‘Ma, wilt u een beetje drinken?
Oma Linda heeft Wonny niet goed gehoord.
Ze zegt: ‘Wat zeg je, Wonny? Iets van klinker?’
‘Nee ma, moet u wat drinken? Drinken.’
‘Ja, een glaasje water zou wel lekker zijn. Aay, het is een poosje
geleden dat ik wat heb gedronken, goed dat je me eraan herinnert.’
Oma drinkt mineraal water.
Dat vindt haar dokter beter, zo wordt ze niet ziek van het water
uit de kraan en krijgt ze mineralen binnen.
Wonny schenkt het water voor oma Linda in.
‘Ma, ons water uit de kraan is wel goed om te drinken, voor de
zekerheid kan ik het ook koken voor je. Suriname heeft heel goed
water.’
‘Nou, de dokter heeft me gezegd liever dat bronwater te drinken.’
Toen heeft Wonny maar de flessen water gekocht en drinkt oma Linda
haar water naar de wens van de dokter.
‘Ma weet u nog dat we vroeger bij het kanaal gingen vissen.’
‘Wat, je gaat me missen?’
‘Ook, maar ik had het over vroeger.’
‘Ohh, wat van vroeger?’
‘Dat we visten. We gingen hengelen.’
Terwijl ze praat, maakt Wonny een hengel in de lucht
en gooit ze de lijn uit.
‘Oh, hengelen. Ja, jullie gingen vroeger vis vangen in het kanaal.
Dan bakte ik de vis en aten we het met klaroen. Heerlijk.’
‘Ik ging wel hengelen maar ik lust nog steeds geen vis.’
‘Je hield niet van vis, no? Eet je nu wel vis?’
‘Ja ma, vis is gezond. Ik eet het minstens twee keer per maand.’
‘Wacht ik heb niet gehoord.’
Oma Linda zet haar gehoorapparaat wat luider.
‘Zeg het weer?’
‘Ik eet nu wel vis. Minstens twee keer per maand.’
‘Ooh, nee, je moet minstens een keer per week vis eten.
Ik eet twee keer per week vis thuis. Het is goed voor het hart.’
‘Ma, ik zal vandaag droge vis in de soep doen.’
‘Oh, je gaat koken?’
‘Ja ma, dan kunnen we straks eten.’
‘Is goed.’
Wonny gaat naar de keuken en oma Linda pakt de krant.
Wonny zet de soep op.
Een pan vol water, soepvlees en kruiden.
Het geeft een lekkere geur.
Nu gaat de droge vis in de soep.
Na een tijdje haalt Wonny de vis uit de soep en
haalt de graten en velletjes eraf.
Ze breekt de vis in stukjes en zet die terug in de pan.
Daarna gaan de stukjes cassave in de soep.
Bijna aan het eind doet ze er nog cocosmelk bij en
stukjes soepgroente.
Dat is een krachtige soep, denkt Wonny.
Ze heeft intussen ook rijst gekookt.
‘Ma, we kunnen eten.’
Oma gaat aan tafel zitten. Ze krijgt een lekker bordje
rijst en een schaal cassavesoep.
Zij en Wonny eten met smaak hun middageten op.
Na het eten nemen allebei hun medicijnen.
Wonny is ook niet meer zo jong en heeft ook zo
haar kwaaltjes.
Oma moet ook medicijnen gebruiken.
Ze moeten hun pillen met water inslikken.
‘Ik ga een beetje liggen,’ zegt oma Linda.
‘Dat is goed, ik ruim de tafel af en dan ga ik ook liggen.
Vergeet niet even te gaan plassen voor u gaat liggen.’
‘Aay, is goed dat je me eraan herinnert.’
Het is avond.
Oma Linda heeft een uurtje geslapen, toen is ze opgestaan
en voor de televisie gaan zitten.
Wonny heeft ietsje langer geslapen en is gaan baden toen ze was
opgestaan.
Daarna heeft ze de afwas gedaan.
Nu is het oma Linda’s beurt om te baden.
Ze zit op een badstoel en schenkt lauw water over zich heen.
Wonny kookt elke dag water voor haar moeder om te baden.
Oma hoest een beetje en het water van de douche is nogal koud.
Als oma schoon is, poetst ze haar tanden.
Dan is het tijd voor het avondeten.
Wonny maakt een boterham met kaas voor oma Linda.
‘Ma, wat ga je drinken, thee, cacoa of melk?’
‘Laat me zien, ik ga cacao drinken met veel melk en 3
klontjes suiker. Dan ga ik soppen.’
‘Ma weet nog?’
‘Ja, vroeger sopten we altijd ons brood of beschuit in onze cacao.
In Holland doe ik het ook. Brood met kaas en cacao, dan is het soppen
geblazen.’
Na een tijdje zijn ze klaar met eten.
Oma en Wonny kijken naar de televisie.
Er komt een reclame van een wasmiddel.
‘Morgen ga ik een paar kleren wassen,’ zegt Wonny.
‘Nee, ik ben al gaan plassen.’
‘Ik zei dat ik morgen kleren ga wassen.’
‘Angh, je gaat morgen wassen.’
‘Ja ma.’
‘Aay, ik heb ook een paar kleren die gewassen moeten worden.’
‘Natuurlijk, ik pak ze straks uit uw kamer.
Wilt u nog wat eten of drinken?’
‘Ik heb m’n pillen nog niet geslikt dus geef  me wat ja.’
Wonny schenkt een glas vol uit de fles water.
De fles is nu leeg, oma Linda heeft een liter water gedronken.
Zaterdag dweilt Wonny altijd haar huis.
Maar de keuken dweilt ze elke dag na de afwas.
Zo blijft er geen vuil kleven op de vloer.
Ze maakt een flinke emmer met water en schoonmaakmiddel.
Ze maakt de zwabber nat en wringt het uit voor ze ermee over
de vloer wrijft.
Ze stoft ook af met een vochtig doekje die ze in een teiltje met
water en zeep omspoelt.
Het water wordt flink vuil, terwijl het huis flink schoon wordt.
Zowat elke dag werkt Wonny in de tuin.
Al is het een uurtje, ze is bezig met haar tuin.
Oma Linda zit op het terras.
Ze geniet van de bloemen en de planten in de voortuin.
Wonny is druk bezig met het schoffelen van het tuinpad,
ook tussen de planten wiedt ze het onkruid.
‘Wonny, het heeft vandaag niet geregend.’
‘Nee ma, ik ga die plantjes natmaken.’
‘Je moet die plantjes natmaken.’
‘Ja ma, dat zei ik.’
‘Oh ja.’
Wonny zet de buitenkraan open, de slang is eraan vast.
Ze is klaar met schoffelen en gaat de plantjes water geven.
De planten staan er fris bij ondanks het warme weer.
Als ze klaar is in de tuin, zit Wonny bij oma op het terras.
Ze kijken ook naar de vlinders en vogels die af en aan vliegen.
Tegen de avond geuren de bloemen extra.
Het is prettig toeven in de tuin.
Soms is er ook visite.
‘Mijn gunst Aida, zolang heb ik je niet gezien. Oh, je hebt gehoord
dat ik hier ben. Meisje ga zitten. Hoe gaat het met je?’
Oma Linda zet haar gehoorapparaat wat luider en buigt
zich naar haar bezoeker.
Wonny vraagt: ’Wat ga je drinken?’
‘Wat heb je?’
‘Stroop, sap, soft of wil je liever thee of koffie?’
‘Een glaasje koude stroop lijkt me wel lekker.
Het is ook zo warm.’
‘Ja, het is warm vandaag. Ik ga het drinken voor je halen.’
‘Dan hoe gaat het met oma?’
 ‘Meisje ik moet niet klagen, het is prettig weer in mijn
geboorteland te zijn.’
En zo kabbelt het gesprek door.
Wonny komt er ook bij zitten.
Het wordt etenstijd.
‘Blijf je eten?’ vraagt Wonny.
‘Nou graag, wat heb je gekookt?’
‘Gumawiri met zoutvlees en garnalen.’
‘Nou lekker.’
‘Hoe is het met de honden?’ vraagt oma Linda
aan de buurman.
‘Oh, ze maken het goed. Straks krijgen ze eten.’
‘Ik heb ze vandaag nog niet horen blaffen.’
‘Ze slapen. Gisteravond waren ze gaan wandelen. Er is
een loops wijfje in de buurt.’
‘Baya, meneer. Bijten ze?’
‘Nee, ze blaffen alleen maar.’
‘Is goed buurman, prettige dag.’
‘Hetzelfde mevrouw.’
De buurman gaat zijn huis binnen.
Even later komt hij weer naar buiten met twee bakken
vol hondeneten.
‘Daksa en Ferry komen jullie eten!’
De twee honden rennen naar hun bak voer.
Ze eten flink door terwijl ze kwispelen met hun staart.
De buurman zet ook een bak vers water voor ze neer.
Een keer in de maand baadt hij de honden.
Ferry vindt dat prettig en  blijft rustig staan terwijl
hij wordt gewassen maar Daksa gaat vreselijk te keer.
De buurman wordt helemaal nat als hij Daksa baadt.
Af en toe gaat oma Linda ook uit.
Samen met Wonny gaat ze naar de zondagsmarkt in de buurt.
Of ze bezoekt een oude vriendin of familielid.
Vandaag maken zij en Wonny een tocht over de rivier.
Ze gaan op bezoek in het dorp waar oma Linda is geboren.
De bootreis duurt 4 uren.
Het water is rustig en de boot snijdt door de rivier.
Tegen de middaguren arriveren ze op Kasansula.
Oma weet nog waar haar tante woonde.
Zou die nog leven?
Haar tante blijkt 2 jaar geleden te zijn
overleden.
‘Maar wonen er nog familieleden van ons
hier?’ vraagt oma Linda aan de mevrouw
bij het huis van haar tante.
‘Jawel, ik ben een kleindochter van haar.’
‘Oh, dan ben ik je tante en is Wonny je nicht.’
‘Komen jullie binnen, jullie kunnen hier slapen vannacht,
we zijn toch familie,’ zegt Rosa, het nichtje van oma Linda.
‘Kom Wonny, we hebben familie gevonden.’
‘Ja ma, ik kom.’
Ze gaan allemaal Rosa’s huis in.
‘Gaan jullie wat drinken?’ vraagt ze.
‘We hebben water meegenomen maar ik heb lang geen regenwater
gedronken, heb je dat?’
‘Ja tante en we hebben ook putwater.’
‘Dat heb ik ook lang niet gedronken. Later zal ik putwater drinken,
nu liever regenwater.’
Als ze hebben gedronken, gaan de dames wandelen door het dorp.
Rosa stelt iedereen die ze tegenkomen aan haar tante voor.
Zo ontmoeten oma Linda en Wonny veel familieleden en
kennissen van vroeger.
Rosa maakt een grote pot peprewatra met anjumara klaar.
De pepers drijven op het vocht van de soep.
Ze geeft er versgebakken cassavebrood bij.
Oma Linda likt bijna haar bord schoon ook
Wonny eet met veel smaak haar peprewatra op.
’s Avonds worden een paar extra hangmatten opgehangen
voor oma Linda en Wonny.
Maar ze gaan pas laat slapen want er zijn veel tories te
vertellen.
De volgende ochtend gaat de boot terug naar Paramaribo.
Oma Linda en Wonny staan vroeg op en nemen afscheid
van Rosa en enkele andere mensen die ze zijn komen
uitzwaaien.
Zo blijft oma Linda nog een poosje in Suriname.
Ze voelt zich heel fijn hier maar ze zal terug moeten.
Het grootste deel van haar kinderen en kleinkinderen woont er
en daar is haar leven.
Wie weet zal ze ooit nog een keer haar land zien, anders zal
ze zich deze reis altijd blijven herinneren als een prettige
tijd in haar geboorteland.
11-2-07           1.834 woorden @

Print Email